Lars Weller laat zien dat we niets weten

De schilderijen van Lars Weller zijn een equivalent van het menselijk onvermogen om het onverklaarbare te duiden. Waar ons denkvermogen te kort schiet, biedt de schilderkunst een uitkomst die we net zo min kunnen verklaren als de werkelijkheid zelf, maar die wel inzicht verschaft in de mogelijkheden van de menselijke verbeelding. We kunnen aan de werkelijkheid iets ontlenen wat daarbinnen niet bestaat, maar dat in zijn kunstzinnige gedaante onontkoombaar is in zijn waarachtigheid. De schilderijen van Lars Weller zijn de consequentie van de gevolgtrekking dat de werkelijkheid onwaarachtiger en ongeloofwaardiger is dan de kunst.

Weller’s schilderijen zijn onlosmakelijk met de werkelijkheid verbonden, zowel fysiek als mentaal, en zijn het resultaat van een koppig verzet tegen een nietszeggende invulling van het bestaan. Het is Lars Weller ernst, op het plechtstatige af al schemert ook altijd een element van relativering door. Op dat laatste kun je nooit precies de vinger leggen. Dat is zijn redding. Hij weet in de hopeloosheid van het menselijk onvermogen om invulling te geven aan een zinvol bestaan, iets naar boven te halen dat alleen al schilderkunstig de moeite waard is en daardoor zingevend. De kwast die verf op het doek aanbrengt, die handeling geeft het leven een zin en betekenis die daar buitenom geen enkel nut hebben. Het feit dat het schildersatelier – een allegaar van leeggeknepen tubes, volgesmeerde vodden, uitgedroogde kwasten, mislukte probeersels, gemorste vloeistoffen, bij elkaar gescharrelde plaatjes, papieren en boeken – nu juist de plek is waarin de kunstenaar een zelfstandig en vrij bestaan vindt, is in volkomen tegenspraak met de beelden die er ontstaan, omdat ze in hun uiteindelijke staat onontkoombaar en onvergelijkbaar zijn. Dat neemt niet weg dat in de beschouwing van de schilderkunst alleen het vergelijk met wat al is geschilderd, als maatstaf geldt voor de kwaliteit en betekenis van het werk, terwijl het in feite op zichzelf beschouwd zou moeten worden.

Voor veel schilderkunst geldt dat we die ’al eerder en beter’ hebben gezien, een constatering die te voor de hand liggend is om niet waar te zijn, maar die vooral de gemakzucht verraadt waarmee we onze waarneming geruststellen: het is al gedaan, kennen we al, hoeven we niet meer naar te kijken. Het is een houding die vooral in de kunst, onder de kunstenaars zelf, wordt gekoesterd. Lars Weller is in dit verband iemand die er niet voor terugdeinst om alles wat al is geschilderd opnieuw aan te gaan. Hij doet dat in nieuwe schilderijen die nooit eerder zo zijn gemaakt, als een heroverweging van alles wat we zo goed menen te weten.

Zijn schilderijen laten zien dat we helemaal niets weten, dat we volkomen machteloos staan tegenover de kennis die we hebben opgedaan, dat we niets hebben geleerd en dat dit nihilisme alleen het hoofd kan worden geboden door er ons met huid en haar aan uit te leveren. Het heeft geen enkele zin om ons iets wijs te laten maken als de verworvenheden van het menselijk bestaan tot nu toe er niet toe hebben geleid dat er enig begrip is ontstaan voor alles wat ook maar een beetje afwijkt van waar we zeker van denken te zijn.

Niets is zeker in de schilderijen van Lars Weller. Door er naar te kijken, begeven we ons in een ongewis gebied waar we proberen ons zelf te vinden. Zijn geschilderde wereldbeeld bestaat uit een desolate ruimte waarin je op jezelf bent aangewezen, alsof een grote onzichtbare hand je door een onherbergzaam gebied stuurt. Je stuit er op een vervallen en non-descript gebouw zonder ramen en deuren dat uit ruwhouten planken of golfplaats is opgetrokken. Je kunt die schuilplaats alleen maar betreden door van buitenaf je de binnenkant ervan voor de geest te halen, zodat voor je geestesoog iemand opdoemt die zich er heeft verschanst die je met dofglanzende donkere ogen stilzwijgend aankijkt om vervolgens te verraden dat jij dat zelf bent. In de schilderijen van Lars Weller kun je alleen jezelf tegenkomen in figuren die je nooit hebt gezien, maar waarvan je je wel een voorstelling maakt, op basis van wat je in je leven hebt meegemaakt, films die je hebt gezien, boeken die je hebt gelezen, schilderijen die je hebt bekeken, muziek waarnaar je hebt geluisterd. Zoals de schilder zich in zijn doeken vereenzelvigt met de onderwerpen waarmee hij zich verstaat, verwerkelijk jij je als kijker met degenen die je geschilderd ziet. Daardoor zijn die schilderijen geen dode en statische afbeeldingen, maar levendige verbeeldingen van je gedachten, herinneringen en verwachtingen. Ze zijn benauwend in hun gestalte, totdat je die zelf aanneemt en je eigen maakt. Dat is een opgave waarvoor je terugschrikt, maar Weller maakt schilderijen die je wel een ingang bieden om je hieraan over te geven, zonder je eraan ondergeschikt te maken. Het kijken naar zijn schilderijen is vooral een bewustwordingsproces dat je zelf verantwoordelijk bent voor wat je waarneemt; dat de waarheid van wat je ziet niet zozeer is gelegen in het doek dat voor je opdoemt, maar in de persoonlijke aansprakelijkheid voor wie je ten opzichte van het schilderij bent.

Hoe meeslepende schilderkunst ook kan zijn, Lars Weller is een schilder die bewijst dat het waarderen ervan nooit een kwestie is van je verplaatsen in een ander, van herkenning of identificatie. Schilderkunst is in essentie daar altijd het tegendeel van: je wordt terugverwezen naar jezelf, je wordt gewezen op iets wat je niet achter je zelf zoekt en je vindt iets in jezelf dat daarbuiten geen weerklank vindt. Het is enkel het schilderij zelf.

Toch staan de schilderijen van Lars Weller niet op zichzelf. Ze doen zich voor als relieken die je vindt als je de tijd, de geschiedenis, het leven, de cultuur, de mythologie afgraaft en afschraapt. Ze bestaan uit de verworvenheden van de menselijke bevindingen en resten die voorafgaan aan ons huidige bestaan, dat vooralsnog een schrale bedoening is op een braak terrein. Het zijn vaak niet meer dan de vondsten die we doen in de blootgelegde loopgraven van menselijke inspanningen met een vergeefs en uitzichtloos gehalte. Zo nu en dan flonkert daarin iets op: een glimmende knoop, een kleurrijk stukje stof, maar niet meer dan een vale gewaarwording ervan. Alles is besmeurd en het is de vraag of Weller het vuil er al ten dele heeft afgeschraapt of dat hij bezig is het voorgoed te verzieken. Duidelijk is wel dat hij iets te voorschijn brengt waar we moeilijk onze ogen van af kunnen houden.

Alex de Vries
12 januari 2012